Parzival zou de Graal nooit hebben gevonden als hij niet steeds opnieuw in zijn ziel was teruggekeerd naar de oorsprong (het ‘wereld-ei’)
en zich had herinnerd dat de openheid van zijn hart zijn grootste kracht was.
Vele scheppingsmythen vertellen ons dat hemel en aarde uit een wereld-ei ontstaan zijn. Uit het Ene, waarin potentieel alles vervat ligt, ontvouwt zich de scheppende diversiteit in haar veelkleurige verschijningsvormen. Zelfs in de theorie van de oerknal vinden we een verwijzing naar deze mythe terug. Astronomen gaan ervan uit dat het heelal zich vanuit één enkel, uiterst dicht ‘punt’ (of zoals sommigen tegenwoordig zeggen: een ‘ruimteluchtbel in kwantumformaat’) steeds verder heeft uitgebreid. De verschillende aspecten van ons bestaan zijn in de loop van de ontwikkeling van de beschaving steeds verder onderverdeeld en worden wetenschappelijk onderzocht, maar het oorspronkelijke beeld dat erachter schuilgaat, is door de millennia heen bewaard gebleven. Of we nu de oude mythen of de moderne natuurwetenschap raadplegen, overal stuiten we op het idee dat de verscheidenheid voortkomt uit een eenvoud en daarmee in een oorspronkelijk verband staat.
Terug naar de eerste impuls
De evolutie krijgt dus haar allereerste impuls uit een toestand van eenheid, die helaas in de hedendaagse culturele wereld nauwelijks nog aandacht krijgt. Maar wat gebeurt er als het Ene zich steeds verder versnippert in de veelheid en er geen terugkeer meer plaatsvindt naar de oorsprong? Het ontwikkelingsidee verwordt dan tot een dogma, wordt een obsessie, een zoektocht naar perfectie. Ontwikkeling betekent dan alleen nog maar toename en vermenigvuldiging, en alles wat van deze maatstaf afwijkt, wordt als achteruitgang beschouwd. Vooral als het om macht en kapitaal gaat, moet de groei oneindig zijn, ook al is dat een volstrekt onnatuurlijk principe. De ontbindende processen van verval en vergankelijkheid, die het donkere seizoen als een sluier over de natuur legt, zouden ons kunnen doen denken aan het kosmische wereld-ei, naar welk kiemstadium alles terugkeert. Elke ontplooiing moet zich op een gegeven moment terugtrekken in de stilte van een toevluchtsoord, dat de broedplaats wordt voor wat komen gaat. Daarin verzamelen de krachten zich om te herstellen, om uiteindelijk opnieuw uit te stromen wanneer de tijd daarvoor rijp is. Het wereld-ei ligt dus zeker niet ergens in een ver verleden dat ons niets meer aangaat. Het is er altijd en opent van tijd tot tijd nieuwe mogelijkheden, zet nieuwe ontwikkelingsprocessen in gang, waaraan we echter alleen kunnen deelnemen als we kind blijven of weer worden zoals kinderen. We worden opgeroepen om een heel ongebruikelijke ontwikkeling toe te laten, die helemaal niet lineair verloopt en ook niet onverzadigbaar streeft naar beter, sneller, hoger of verder. De ontwikkeling waar ik het hier over heb, wordt veelmeer gekenmerkt door zorgzaamheid en bewustwording. Het gaat om de herontdekking van een aangeboren vermogen, en niet om een onverzadigbare drang om anderen te overtreffen of de schepping uit te buiten. Ontwikkeling dus als een soort verloskundige hulp, als het vormen en verfijnen van een zintuiglijk vermogen dat al in ons aanwezig is, dat als een kiemcel bestaat en steeds weer nieuwe geboorten tot stand wil brengen.
Open voor de wereld
Martin Heidegger spreekt van de ‘wereld-openheid’ en omschrijft deze als ‘de fundamentele eigenschap van het menselijk bestaan’. ‘De openheid voor het aanwezige is het fundamentele kenmerk van het mens-zijn.’[1] Als we in die zin over ontwikkeling spreken, dan komt het er vooral op aan om weer ontvankelijk te worden, net als een kind dat de wereld met verwonderde openheid tegemoet treedt en zich met alle dingen verbonden voelt. De ontvankelijke mens verzet zich tegen de dwang van de ontwikkeling, omdat hij aanvoelt dat elk verlangen naar ontplooiing in wezen een verlangen naar openheid is. Onze openheid is de toegangspoort waardoor de kleurrijke diversiteit van de wereld naar binnen kan stromen om zich met ons te verenigen tot een samenhangend geheel.
Wat ik hier in filosofisch-poëtische bewoordingen heb proberen aan te duiden, vindt zijn levendige weerspiegeling in de Parzival-mythe. Parzival wordt immers wel de ‘domme dwaas’ genoemd, en hoewel hij uiteraard een ontwikkeling doormaakt, blijft het onmiskenbaar dat hij tot ver in zijn volwassen jaren een zekere onbeschaafdheid behoudt en zich nooit helemaal losmaakt van zijn onstuimige aard of zijn intuïtie vanuit het hart. Een deel van zijn ontwikkelingsproces wordt dus juist gekenmerkt door het feit dat hij afstand neemt van alle vormen van opvoeding om zijn onbevooroordeerdheid te behouden (of om ze juist weer te verwerven). Alleen al in de manier waarop hij opgroeit, wordt duidelijk dat Parzival uiteindelijk nooit volledig te temmen zal zijn. Hij wordt opgevoed in de wildernis van het afgelegen woud van Soltane, een rijk dat door zijn moeder Herzeloyde wordt geregeerd en waar hij volledig afgeschermd is van alle wereldse invloeden. Omdat Herzeloyde haar man Gachmuret heeft verloren tijdens een bloedig riddergevecht, wil ze haar zoon koste wat het kost voor een soortgelijk lot behoeden. Ondanks alle pogingen om hem te beschermen, groeit Parzival uit tot een vrolijke, openhartige jongen, die telkens weer verdriet voelt wanneer het gezang van de vogels hem diep in het hart raakt en zijn drang naar vrijheid aanwakkert. Maar Herzeloyde hoopt dat haar zoon nooit volwassen zal worden en altijd onder haar hoede zal blijven. Daarom begint ze haar wrede strijd tegen de vogels en beveelt ze de boeren en knechten om ze te vangen en te doden. Parzival is ontzet over de duistere bedoelingen van zijn moeder en smeekt haar dringend de vogels te sparen. Dan komt Herzeloyde tot bezinning en heeft ze spijt van haar daad: ‘Hoe zou ik ertoe gekomen zijn om de orde van Hem, die toch de allerhoogste God is, omver te werpen? Mogen vogels dan omwille van mij niet meer vrolijk zijn?’ [2]
Het zwart-witte godsbeeld
Het gesprek tussen moeder en zoon gaat verder en ze komen over God te praten. Herzeloyde ziet een uitgelezen kans om haar zwart-witte godsbeeld op haar zoon over te brengen: ‘Zo toonde ze het verschil tussen duisternis en licht’, waarna Parzival op de vlucht slaat en ‘ver weg’ rent, alsof hij zich zo ver mogelijk wil distantiëren van de eenzijdige ideologie van zijn moeder. Parzival kan de morele preek niet verdragen en vlucht weg. Ondanks alle waarschuwingen gaat hij zijn eigen weg en wil hij zelfs in zijn overmoed de duivel uitdagen: ‘Ach, zou de duivel nu maar komen met zijn toorn en zijn woede – die versla ik, dat weet ik zeker! Moeder zegt dat hij angstaanjagend is – ik denk dat ze haar moed heeft verloren.’[3]
Vanaf het begin is het duidelijk dat Parzival zich verzet tegen het traditionele kerkelijke wereldbeeld en dat hij hardnekkig probeert om zich daarvoor af te schermen. Alles in Parzival is erop gericht om deze eenzijdigheid te doorbreken en ertegen in opstand te komen. Hij wil niet vast blijven zitten in het oude conflict tussen de twee tegenstellingen. Net als in de beroemde gelijkenis met de ekster uit de proloog heeft hij evenveel deel „aan de hemel als aan de hel’. [4] Voor de graalzoeker Parzival is het zaak om het midden te vinden in dit krachtenveld en zich niet langer aan één kant te scharen (en daarmee in vijandschap met de andere te raken), zoals zijn moeder hem voorleeft. In het Welshe Peredur (een ‘roman’ uit de twaalfde/dertiende eeuw) komt de wilde onbeschaafde aard van Parzival nog duidelijker naar voren.
Hij is zo snel, krachtig en behendig, dat hij als enige met blote handen reeën en wilde geiten kan vangen, iets wat niemand anders lukt. Peredur bruist van ongetemde kracht en het zou best eens kunnen dat juist deze eigenschap Herzeloyde zo veel angst inboezemde. En hoewel Parzival in de wildernis opgroeit, is dit voor hem geen plek waar hij zich kan ontplooien. Het is een in alle opzichten gevaarlijke wildernis, waar zijn vleugels elk moment kunnen worden gekortwiekt. Daarom noemt Wolfram von Eschenbach Soltane altijd waste (verwilderd), net als The Waste Land van T.S. Eliot. Er zijn in Soltane weliswaar weiden, bossen en rivieren, maar de wildernis van dit gebied is een afspiegeling van een bedrieglijke innerlijke vrijheid. De openheid naar de wereld toe wordt hier voortdurend bedreigd. Het zwart-witte godsbeeld laat de ziel op den duur verdorren, omdat het onmiddellijk een waardeoordeel velt over alle verschijnselen, waardoor het onmogelijk wordt om de verschijnselen onbevooroordeeld waar te nemen zoals ze zijn. Werkelijk open zijn betekent immers ook onbevangen zijn. Dat wil zeggen dat je beproevingen met open armen ontvangt. Hiervoor is ook een vleugje onbezorgdheid nodig om je te kunnen bevrijden van alle verdeeldheid zaaiende vooroordelen en kleinerende opmerkingen.
Ridders en graalzoekers
Toen Parzival tijdens een van zijn omzwervingen voor het eerst ridders tegenkwam, voelde hij zich zo aangetrokken tot die mysterieuze mannen, die ‘meer nog dan God schitterden’, dat hij hen wilde navolgen en zelf ridder wilde worden. Hij kon het niet langer uithouden in het woud van Soltane, en vertrok halsoverkop. Als hij was gaan twijfelen, zou onzekerheid hem waarschijnlijk hebben overmand en hem weer van zijn besluit hebben afgebracht. Maar de drang naar avontuur is sterker en drijft Parzival weg van zijn moeder, die hem bij het afscheid als een nar aankleedt, in de hoop dat hij veel spot krijgt te verduren en terug zal vluchten naar haar beschermende armen: ‘Mensen spotten maar al te graag – mijn zoon moet narrenkleding dragen op zijn mooie lichaam. Als hij wordt geslagen en gestompt, komt hij misschien weer bij mij terug.’ [5] Maar het sluwe plan mislukt. Parzival vertrekt vol goede moed, waarna zijn moeder met een gebroken hart dood neervalt. Het plan van Herzeloyde slaagt echter toch tot op zekere hoogte – maar heel anders dan ze had gedacht. Want hoewel Parzival al snel de uiterlijke kleren van de dwaas aflegt, zoekt hij innerlijk steeds weer contact met zijn dwaze kant. Dat zal later nog een zegen blijken te zijn.
De invloed van zijn moeder blijft voor Parzival nog lang voelbaar, want zij heeft hem niet alleen de narrenkleding aangetrokken, maar hem bovendien allerlei adviezen en gedragsregels meegegeven, die hij nauwgezet opvolgt en waardoor hij later van de ene ongelukkige situatie in de andere terechtkomt. In het derde boek van Wolframs Parzival wordt de graalzoeker negen keer aangeduid als tumbe, wat zoveel betekent als eenvoudig, dwaas, onverstandig, onwetend, ongeschoold of onervaren. [6] Daarom krijgt hij in datzelfde boek een voorbeeldige ridderlijke opvoeding van zijn leraar Gurnemanz: ‘Ik heb wel gezien dat jullie onderricht nodig hebben. Laat slecht gedrag voortaan achter je.’ [7] Om Parzival goede, beschaafde manieren bij te brengen, moet allereerst zijn ‘domheid’ worden uitgebannen. Hij moet zich inhouden, zijn nieuwsgierigheid beteugelen, zich aan allerlei etiquetteregels houden en niet meer zoveel vragen stellen. Maar zoals we uit het verloop van het verhaal weten, wordt juist deze opvoedingsregel Parzivals pijnlijke noodlot. Tijdens zijn eerste bezoek aan de Graalburcht (op het moment dat alles op het spel staat) vergeet hij de vraag te stellen over de verwonding van de Visserskoning, waardoor hij diens lijdensweg verlengt en het hele land in rouw stort. Parzival heeft bewezen onwaardig te zijn voor het Graalkoningschap. Al die goede manieren en fatsoensregels helpen hem uiteindelijk niet bij de zoektocht naar de Graal; integendeel, ze brengen hem meer in de war dan dat ze hem van nut zijn. Als hij gewoon zijn intuïtie had gevolgd, die spontane impuls van verwondering over het wonderbaarlijke, dan zou hij het hebben gevraagd, maar die kinderlijke openheid was hem afgeleerd, en dus moest hij eerst weer leren op zijn eigen stem te vertrouwen en onbevangen door de wereld te gaan.
Doorgaan met zoeken
Wanneer Parzival na vele zware omzwervingen op Goede Vrijdag bij zijn oom Trevrizent in de kluizenaarshut bij de Wilde Bron aankomt, vindt hij daar weer houvast en nieuwe kracht. De wijze kluizenaar legt aan Parzival de spirituele samenhangen van zijn levensloop uit en onthult hem belangrijke biografische achtergronden over zijn geslacht. Na de vorige voorvallen met zijn moeder en Gurnemanz krijgt Parzival nu zijn derde ‘opvoeding’ en groeit hij uit tot een verstandig en inzichtrijk mens. Toch wordt hij op één punt nog steeds op een dwaalspoor gebracht en krijgt hij opnieuw een rampzalig advies. Trevrizent raadt Parzival aan de zoektocht naar de Graal op te geven en benadrukt: ‘Jullie zeggen dat jullie naar de Graal verlangen – o, wat een dwaasheid! Ik heb medelijden met jullie! Want niemand kan de Graal verwerven die de hemel niet (…) tot Graal uitroept.’[8] In het Middelhoogduitse origineel noemt de kluizenaar Parzival hier uitdrukkelijk een ‘domme man’.[9] Maar deze keer trekt Parzival zich niets meer aan van de adviezen die van alle kanten op hem afkomen en blijft hij onverstoorbaar op zoek naar de Graal, hoe onverstandig en hopeloos dat ook mag lijken. Hij vindt de Graal dus pas later, juist omdat hij, ondanks alle wijze leringen, een zekere mate van ‘naïviteit’ behoudt. Parzival laat zich zijn eenvoud niet ontnemen, maar ontdekt juist daarin de oplossing voor het schrijnende conflict.
Uiteindelijk geeft Trevrizent toe dat hij tegen Parzival heeft gelogen: ‘Om jullie af te leiden van de Graal, heb ik jullie een verkeerd beeld van de Graal geschetst; laat mij boete doen voor deze zonde.’ [10] Daarmee geeft Trevrizent toe dat de zoektocht naar de Graal een ondoorgrondelijke zoektocht is, die niet alleen door het naleven van morele principes of het doorlopen van ideale ontwikkelingsfasen kan worden volbracht. Om de Graal, de heilige kelk van het hart, te vinden, blijkt het van cruciaal belang dat Parzival vertrouwt op zijn diepste, kinderlijke stem en deze zelfs belangrijker vindt dan de woorden van zijn wijze raadgever. Door deze moedige stap naar zelfstandigheid bevrijdt hij zich van de belemmerende leerstellingen en opent hij opnieuw de ruimte van de eenvoud in het binnenste van zijn ziel. Het is slechts op het eerste gezicht een plek van uiterste afzondering, want in die naakte toestand waarin hij op zichzelf is teruggeworpen, wordt Parzival opnieuw de mens die openstaat voor de wereld, zoals hij dat destijds al was toen hij als spelend kind in Soltane verbleef, waar het gezang van de vogels zijn hart raakte en de ridders hem als goden leken. Zonder deze dromerige gevoeligheid zou hij nooit de wereld zijn ingetrokken, zou hij zich later nooit met zijn zwart-wit gevlekte halfbroer Feirefiz hebben verzoend. Nooit zou hij uiteindelijk de Graal hebben gevonden en de Visserskoning hebben verlost, als hij niet steeds weer in zijn ziel was teruggekeerd naar de oorsprong (naar het wereld-ei) en zich had herinnerd dat de openheid in zijn hart zijn grootste kracht was.
Bronnen:
[1] Heidegger, Martin, Zollikoner Seminare
[2] Eschenbach, Wolfram von, Parzival, boek 3
[3] Parzival, boek 3
[4] Parzival, boek 1 (‘wie in den zwei Farben der Elster’)
[5] Parzival, boek 3
[6] vgl. Parzival, boek 3
[7] Parzival, boek 3
[8] Parzival, boek 9
[9] ibid.: ‘ir sent iuch umben grâl: / ir tumber man, daz muoz ich klagn’
[10] Parzival, boek 16

