De spirituele ontwikkeling van de Keltische volksziel – Deel 11

Barden

De spirituele ontwikkeling van de Keltische volksziel – Deel 11

(Terug naar deel 10)

 

Er waren drie groepen binnen de Keltische stammen die leiding gaven en een andere, bijzondere rol vertolkten de barden.

Barden waren rondtrekkende zangers en dichters. Zij dienden de religie door middel van de kunst. Als vertellers hielden zij de mythen van het volk levendig.

Het is aan de barden te danken dat we nog zoveel over de Keltische druïden weten!

Als rondreizende zangers en leraren van het volk oefenden zij een grote vormende invloed uit op hun toehoorders. Met hun beeldend vermogen konden zij het luisterend volk inspireren of, indien nodig, moed inspreken. In oorlogstijd vuurden zij de strijders aan dapper te zijn, maar ook konden zij een diepe spot uiten op lieden die zich misdragen hadden. De barden waren dus geoefend in het uitspreken van lof en , wanneer iets hun niet beviel, bedreven zij de honende spot en gebruikten de satire om tegenstanders van hun vorst te ondermijnen. Zo werden zij door de vorsten betaald om hun eer en heldendaden te bezingen.

Barden  konden als de beste moed en enthousiasme teweeg brengen, loven en prijzen en brachten hartstochten tot bedaren. De barden maakten het menselijk geweten wakker. Zoals de druïde de religieuze plechtigheden vorm gaf, zo deed de bard dat met de wereldlijke feesten: hij verleende op deze bijeenkomsten  een mythische achtergrond. Op die wijze waren deze zangers de dragers van de cultuur en vormden zij de ziel van het volk.

In Ierland bestonden zowel in de voorchristelijke en in de beginperiode van het christendom, scholen waar de barden hun opleiding ontvingen. Deze scholing moet men niet onderschatten, want iemand die bard wilde worden en dus leiding wilde geven, moest bijvoorbeeld in de diepste stilte muziek kunnen horen. Tot in de tiende eeuw werden, volgens G. Murphy [3], de maatsoorten en de heldenliteratuur bestudeert en die  leertijd kon wel twaalf jaar duren. De hoge dichtkunst zoals die werd uitgeoefend door de ‘fili’, de meesterdichters, bracht hen op een lijn met de druïden en hun wijsheid. Van een goede bard werd gezegd dat hij het hart van een vogel gegeten had, en dat dat de reden was dat zijn hart vleugels had en het opwiekte wanneer hij zong.

De opleiding tot bard scherpte het geheugen en verfijnde de concentratie dat op die wijze de fili op een niveua van magische bedrevenheid voerde.

Een voorbeeld van deze magische bedrevenheid is het volgende.

Taliesin, de beroemde dichter,  heeft als kind eens de waardigheid van een dichtersgezelschap vernietigd die bij de koning een beloning vroeg. Ze passeerden Taliesin die met zijn vingers over zijn lippen ‘blwrm, blwrm, blwrm’ speelde  en zij negeerden de kleine jongen. Toen ze echter voor de koning stonden, konden ze niets anders dan ‘blwrm, blwrm, blwrm’ zeggen. De verbaasde koning vroeg of ze dronken waren, maar de barden moesten toegeven dat hun gedrag door Taliesin was veroorzaakt!

Er was dus ook een andere kant die de barden hadden en die was niet mis te verstaan.  Zo kon een bard magische veranderingen in een landschap of in dieren aanbrengen en beiden onvruchtbaar maken. Of hij kon blaren op het gezicht van een vijand maken die het gedurfd had hem te bespotten of te kwetsen.

De voorchristelijke Keltische bardenscholen bleven in de christelijke tijd onaangetast voort bestaan wat Ierland zo bijzonder maakte. Zo bleven de mythische- en heldenliederen voort klinken en deze oude verzen werden later met christelijke teksten verrijkt.

De volksgeest van de Kelten was dus sterk verbonden met de kosmische Christuskrachten die langzaam, maar gestaag werkzaam werden.  

Hier volgt een oud Iers gedicht waarin Christus de in de wereld stralende Logos is die de duisternis verlicht:

 

In de tijd voordat Gods Zoon kwam,

was de aarde een zwart moeras,

zonder sterren, zonder zon, zonder maan,

zonder lichaam, zonder hart, zonder vorm.

 

De vlakten en de heuvels werden licht,

de grote groene zee werd licht,

de hele aarde begon te stralen,

toen Gods Zoon op de aarde kwam.

 

Dit vers laat zien dat de Kelten een spiritueel volk waren; zij zagen op eigen wijze de goden werkzaam  in de natuur, in planten, bomen en in de lucht. Zijn wereld was een geestelijke natuur.  Bovenal waren zij dus kenners van het woord en de spraak en waren bekend met de macht die daar van uit kon gaan.

De macht van de barden verdween echter toen de koningen hun soms grote gezelschappen niet meer konden bekostigen. Ze wilden niet hierom bespot worden en bleven soms in verlegenheid achter. (het kwam voor dat er wel tientallen barden aan het hof verschenen!) Uiteindelijk werden hun eisen en bespottingen te veel en dit leidde ertoe dat ze langzamerhand verdwenen. Tot slot werden zij nog  door de christelijke monniken in bescherming genomen en kregen de barden nog een bestaansrecht.

 

(Wordt vervolgd in deel 12)

Bronnen:

[1] Jakob Streit, Sonne und Kreuz, Freies Geistesleben, Stuttgart 1977Vertaling: Zon en kruis, Christofoor, Zeist 1980

[2] Caitlín Matthews, De Keltische traditie, Ankh-Hermes, Deventer 1993

[3] G. Murphy, Bards and Filidh, Éigse 2, 1940

 

 

Print Friendly, PDF & Email

Deel dit artikel

Artikel informatie

Datum: maart 22, 2022
Auteur: Benita Kleiberg (Netherlands)
Foto: Paul Bates auf Pixabay CCO

Featured image: