Het ware hart sluit niet uit, het omvat.
Daarom kan men alleen moedig zijn – in de oorspronkelijke zin van het woord – wanneer men zich deel weet van een groter geheel, een gezamenlijke zaak die groter is dan jezelf.
Een verhaal over de oprichters van de School van het Gouden Rozenkruis
Het is niet zo moeilijk aan de stichters van de Geestesschool van het Gouden Rozenkruis ‘moed’ toe te schrijven, als men weet wat het woord ‘moed’ oorspronkelijk betekent. Het stamt van mōdaz, dat drieduizend jaar geleden in onze streken zoveel als ‘geest, denken of toestand van het innerlijk’ betekende. Mōdaz, moed, is een beweging van de ziel, een zaak van het hart. Het ware hart sluit niet uit, het omvat. Daarom kan men alleen moedig zijn – in de oorspronkelijke zin van het woord – wanneer men zich deel weet van een groter geheel, een gemeenschappelijke zaak die groter is dan jezelf.
Z.W. (Wim) Leene, Jan van Rijckenborgh, Catharose de Petri en hun vriend en medestrijder van het eerste uur Cor Damme hebben meer dan overtuigend bewezen dat zij zich hiervan bewust zijn geweest. Zij ontdekten al in hun jeugd dat zij deel uitmaakten van een geestelijk veld van onzichtbare broeder- en zusterschap, die wortelt in het denken, in een gerealiseerde zuivere rede en in de gedachtesfeer van Christus, universeel begrepen. Een sfeer, een veld, een geest, die eenheid vooropstelt, die door alle tijden en tegenstanden heen één van geest is, één is gebleven en dit zal zijn, omdat zij tot buiten de tijd reikt.
Het doel van het streven bij deze stichters van het moderne Rozenkruis is geweest, naar een woord van Z.W. Leene:
Het christendom weer die plaats te geven in de wereld van het werkelijke leven en van het wijsgerig denken die het toekomt. [i]
Na het overlijden van Z.W. Leene in 1938 geeft zijn broer Jan, later bekend als Jan van Rijckenborgh, krachtig leiding aan het jonge Rozekruisers Genootschap. In 1945 is hij voorman in een directoraat van vier mensen en werken zij onverschrokken verder.
Want dat is de geest die nodig is om bevrijdend werk voor het Licht te kunnen volvoeren, die dit altijd is geweest en steeds zal zijn is: de moed opbrengen onafgebroken werkzaam te zijn. Niet de snelheid van het werk, niet een eventueel succes of het aantal volgers geven de doorslag. Werkzaamheid, het zaaien van gedachten aan onbaatzuchtigheid, de herinnering opwekken bij zoekende zielen aan een veld, een atmosfeer die boven het aarde-aardse uitreikt en die ook zij eenmaal hebben gekend. Arbeiden uit innerlijke noodzaak, niet van buiten aangespoord of opgelegd.
Het vergt een bepaalde geestesgesteldheid, om als negentienjarige te kunnen zeggen:
Vanaf mijn prille jeugd heb ik de Heer gezocht en gediend in een gestadige levensstrijd. In 1915 legde ik voor het innerlijk tribunaal de gelofte af, mijn leven te wijden aan de dienst des Heren en zo het mij vergund zou mogen worden, de wereld te schenken:
1e een nieuwe christelijke filosofie die gegrond zou zijn in de ongeweten dingen,
2e een vrije school ten einde deze filosofie ter bestudering over te dragen aan daartoe geschikten en
3e het stichten van een Broederschap die door kennis en levenshouding de grenzen zou wegvagen tussen de gebondenheid aan de stof en de vrijheid van de geest.
Men had mij gezegd, dat ik door tal van stormen heen te eniger tijd mijn doel zou bereiken, mits ik door alles heen trouw zou blijven aan mijn idealen en een reine levenswandel zou voeren.
Wie dit leest kan de schouders ophalen en het afdoen als jeugdige overmoed. Hoe vaak komt er iets terecht van wat we ons voornemen als we jong zijn? Maar het is een moed, een geestesgesteldheid die zich anders uit dan men zou verwachten. Het is de signatuur van alle werkers in dit veld; het is een zwaar ploegen in de akkers van het Licht.
‘Hoe groot is niet de verdienste geweest’, zo schrijft Max Heindel, ‘van madame Blavatsky met haar fantastische morele moed, om tegenover het materialisme van haar tijd de spirituele waarden van een geheel andere, innerlijke wetenschap te plaatsen?’
En schrijft Eduard Schuré niet aan Rudolf Steiner:
Als je de vijand wilt bestrijden, begin dan met hem te begrijpen. Je kunt de draak alleen overwinnen door in zijn huid te kruipen. De stier moet je bij de horens vatten. Juist in de opperste nood zul je je wapens en je medestrijders vinden. Ik heb je laten zien wie je bent, ga nu – en blijf jezelf!
Wat de jonge Jan Leene betreft: zeven internationale conferentiecentra en veertig diepgravende boeken, meer dan tien titels voor tijdschriften en honderden geschriften en voordrachten, heeft hij gerealiseerd als hij in 1968 sterft. Een onbevooroordeeld beschouwer kan niet anders concluderen dan dat zijn voornemen glansrijk geslaagd is.
Een geestesgesteldheid die zich anders uit dan men zou verwachten, schreven we. Deze moed werkt vanuit het hart, deze geestesgesteldheid baseert zich op het Bijbelwoord:
Oordeelt niet. [ii].
Wie oordeelt, neemt niet langer open, objectief waar; zijn begrijpen staat vast en is niet langer open voor de Grote Adem, die subtiel is, die tot het hart spreekt, en die alles bewegend en vloeibaar houdt. Zo iemand is zelden nog in staat achter het oppervlak der dingen waar te nemen, zoals Jan Leene zegt:
Voor de geestmens is de orde van de natuur een mystificatie. Er is één hiërarchie van menselijke entiteiten – en mensen zijn bloedsverbondenen – allen zijn onze directe naasten. Er is maar één weg, één methode – en ik spreek alleen voor hen die geadeld zijn om het Christuswoord op de heilige berg te benaderen: ‘Hebt uw vijanden lief en bidt voor wie u vervolgen.’
Aan de grauwe en beklemmende menselijke werkelijkheid zijn ook zij niet ontkomen. In februari 1941 is er een voorval in het leven van Jan Leene, dat hij door de gevreesde Gestapo wordt opgepakt. Vanuit Den Haag reist vriend en medestrijder voor het Licht, Cor Damme, onmiddellijk naar de Euterpestraat in Amsterdam, waar zijn vriend wordt vastgehouden. In een voormalige school was het verafschuwde verhoor- en marteladres van de Gestapo en Sicherheitsdienst gevestigd (dat in 1944 door de Engelsen werd gebombardeerd). De straat heeft de lieflijke naam van de Griekse muze van de lyrische poëzie en het fluitspel; cynischer en wranger contrast met de werkelijkheid is nauwelijks denkbaar. Tijdens de bezetting zit hier het zwarte monster, de nazi-inlichtingendienst; hier worden joodse mensen opgebracht en verzetsstrijders vastgehouden en gemarteld. Na de oorlog kleeft er aan de straatnaam bij de Amsterdammers nog zo’n negatieve bijklank dat het stadsbestuur besluit deze te veranderen en de straat te vernoemen naar verzetsheld Gerrit van der Veen.
Damme mag niet met zijn vriend mee naar binnen, maar waakt over zijn broeder op afstand. Terwijl hij vastzit, wendt een vriendin en medebestuurster van het Rozekruisers Genootschap E. Roland-Retera, op haar niveau, bij Seyss-Inquart haar invloed aan om hem weer vrij te krijgen.
Later geeft J. van Rijckenborgh zijn ervaringen weer als volgt:
Ik zat tegenover een ober-oberführer van de Gestapo. Ik was gearresteerd! De man had een knap regelmatig gezicht, lichtblauwe ogen. De portretten van zijn vrouw en zijn kinderen voor zich op het bureau. Een volstrekt gewoon normaal mens, zeker niet slecht, niets bestiaals was in hem. Hij keek me aan – en ik hem. We glimlachten tegen elkaar. We zagen de tragische humor van het geval… en toen opeens kwam het. De ogen werden strak, de pupillen verwijd, hij werd overschaduwd, zijn strottenhoofd werd gecontroleerd, hetgeen altijd te constateren is aan het ongemotiveerde rijzen en dalen van de stem en aan de totale klankwijziging. Het hoofd iets naar achter gebogen, alsof hij bij de nek gegrepen werd. – Ik begreep, de man werd bezeten, hijzelf werd weggedrongen en tot mij sprak de geest op de achtergrond, het loeiende zwarte beest. Ik vergat mijn verzet, waarvoor ik was gehaald en mij vervulde een innig medelijden met dien obermijnheer, en daar, terwijl een regen van scheldwoorden over me werd uitgestort, heb ik voor die eigenaardige vijand gebeden en hem gewikkeld in het licht van het Rozekruis. En zie, de bezetenheid week. Hij schudde zich als een natte poedel, mijn vreemde vijand werd weer gewoon, hij werd zichzelf. Ik had mijn vijand gezien en gehoord, ik had mijn vijand weerstaan en overwonnen, ik had hem verjaagd. Doch mijn vijand was niet de ober-führer. Het was een ander.
Aan het eind van die middag kon hij naar huis, onder voorwaarde dat hij zich van verdere activiteiten voor het esoterische christendom zou onthouden. Diezelfde avond gaven Jan Leene en Damme cursus in Den Haag.[iii]
Al even opzienbarend is eenzelfde voorval, twee jaar later en precies andersom. In 1943 wordt ook Cor Damme gebeld door de SS in Amsterdam; hij moet zich eveneens melden bij het hoofdkantoor van de SS in de Euterpestraat. Toen in februari 1941 zijn vriend Jan Leene werd opgepakt en daarheen werd gevoerd stond hij, Cor, op de hoek van de straat te wachten. Nu gaat Jan met hem mee, wachtend op dezelfde hoek. Cor had hem gezegd: ‘Als ik er over een paar uur nog niet ben, dan moet je maar naar huis gaan en het aan Jos[iv] vertellen.’
Binnen staat het kantoor van de dienst bomvol met in beslag genomen kunst – en vanaf dan loopt het heel anders dan de vrienden vrezen. Eenmaal binnen blijkt de Oberst die hem het bevel gaf te komen onverwacht naar Berlijn te zijn teruggeroepen. Vandaar dat de plaatsvervangend commandant nu blaft:
‘Mijnheer Damme, weet u waarom Overste Rümpke u hiernaartoe heeft bevolen?
Cor denkt razendsnel na. Het gaat dan zeker niet om de joodse onderduikers, zoals hij had gevreesd; of om het ondergronds verzet, dat hij in Den Haag van eten voorziet!? Maar al die kunst! Dan schiet hem, als eigenaar van Kunstzaal Damme, gespecialiseerd in ‘Oosterse Kunst en Perzische Tapijten’ iets te binnen; het valt te proberen… Hij wijst op de schilderijen aan de muur en naar de voorwerpen die op het bureau staan.
‘Maar dat is toch duidelijk!? Vanwege de kunst natuurlijk die hier staat.’
‘Hoezo dat dan?
Hij zucht, alsof hij licht geërgerd is, en haalt zijn adreskaartje tevoorschijn.
‘Ziet u, ik ben namelijk erkend kunsthandelaar en antiquair. De kolonel weet dat en wilde dat ik een officiële expertise over al deze voorwerpen zou geven. Ik wil daarmee graag beginnen!’
En inderdaad geeft hij een uitgebreide analyse van de door de bezetters gestolen kunst. Hij maakt een lijst en geeft een schatting van wat elk beeldje, vaasje of schilderij waard is en beoordeelt de meeste zaken op hun kunsthistorisch belang. Ook in Den Haag vragen de Duitsers hem dit af en toe te doen, maar dan in vrijheid. Meestal geeft hij zo laag mogelijke waardes, om te zorgen dat maar weinig in beslag wordt genomen. ‘De Reddingsbrigade’ hebben ze die acties van hem genoemd. Nu is hij voorzichtiger – deze werken zijn toch al beansprucht; dat wil zeggen ‘gevorderd’.
Als hij klaar is met zijn werk is de plaatsvervangend overste heel tevreden. Zijn expertises zijn goed en de prijzen klinken aangenaam in de oren. De man bedankt hem, schudt zijn hand en Cor Damme maakt dat hij wegkomt.
Buiten staat Jan op hem te wachten.
Twee episodes in, ook zonder het voorgaande, al zeer bewogen levens. Een waarlijk open hart en een zeer alerte geest doen wel en behoeden voor verdere droefenis. En beiden herinneren zich de woorden van hun geestverwant en broeder Wim Leene:
Daarom zijn we pioniers en moeten we scherp richtlijnen trekken, omdat de wereld reeds al te lang bedrogen is, en het is met het geestelijke zo: of men wordt hopeloos belachelijk en een geestelijk misdadiger, of men wordt verlossend door rede en begrip. De zaak is zo: De transcendente God is de schepper, de immanente God is de mens. De transcendente God kunnen we niet vinden in de natuur; wel in de mensen, omdat Hij geest is evenals de mens een geest is. Dus niet in de natuur, omdat de natuur slechts de basis is waardoor het al zich ontplooit.
Leer ons de vrees beheersen door de vreugde van het weten!
Wij zijn geesten en zelfs eeuwige geesten, onsterfelijk en geroepen door en door geestelijk te zijn in de geestelijke wereldorde. We moeten dus van deze geestelijke orde alles weten. Maar, let wel, dat we tevens stoffelijke mensen zijn, sterfelijk en zonder twijfel geroepen eens de stof voor goed te verlaten en niet alleen maar voor een tijd, liggende tussen dood en incarnatie[v].
De vreugde van het weten, deel uit te maken van een sfeer, een veld, een geest, die eenheid vooropstelt, in dienst aan Christus – het is het Rozenkruis van het Hart, wit door haar zuiverheid, rood door haar mensenliefde en goud in haar glanzend, omvattend denken.
Bronnen:
[i] Geroepen door het Wereldhart, 2009, p. 157,
[ii] Matteüs 7: 1
[iii] Geroepen door het Wereldhart, 2009, p. 185
[iv] Zijn echtgenote
[v] Geroepen door het Wereldhart, 2009, p. 186

