en Wie ik liefheb, dood ik
wie mij zoekt, vindt mij,
wie mij vindt, kent mij,
wie mij kent, heeft mij lief,
wie mij liefheeft, heb ik lief,
wie ik liefheb, dood ik,
wie ik dood, die zal ik belonen,
voor wie ik belonen moet, ben ik de beloning.
Dit korte en anonieme gedicht is op het eerste gezicht zowel onbegrijpelijk als verontrustend en wellicht voor sommigen angstaanjagend. Toch heeft het een diepe betekenis die iedere zoeker op het pad naar verlichting dient te doorgronden.
In het volgende verhaal uit de twaalfde eeuw kunnen we overeenkomsten zien met dit anonieme gedicht en wordt de betekenis helder voor ons geplaatst.
Graag laat ik u kennismaken met een oeroud Perzisch verhaal of gedicht van Farid al-Din Attar die omstreeks 1145 is geboren. Attar was een van de grootste mystieke soefidichters die een groot aantal ghazals, of gedichten nagelaten heeft. Ook is hij een belangrijke figuur in de Perzische middeleeuwse klassieke literatuur. Helaas is hij niet zo bekend als Rumi en Hafez, die heel succesvol waren. Toch had hij een immense invloed op latere schrijvers en zelfs Rumi was door Attar geïnspireerd.
Alhoewel hij een uitgebreid oeuvre had, is Attar wereldberoemd geworden door slechts één werkje: De samenspraak der vogelen. Dit dichtwerk, of mathnavi, vertelt een allegorie over een grote groep vogels die op zoek gaan naar hun mystieke koning of Simurg. Deze Simurg vinden we overal terug in de Perzische literatuur. Het is de geheimzinnige vogel, de manifestatie van wijsheid en hij heeft op alle vragen antwoorden. Het is deze vogel die de Perzen, ofwel de gehele mensheid, terugbrengt naar haar ware identiteit en bestemming.
Veel is niet bekend over het leven van Attar en in zijn werk vinden we ook geen biografische gegevens, aangezien een groot deel van zijn oeuvre het gaan op een spiritueel pad beschrijft.Zeker is dat hij het grootste gedeelte van zijn leven in zijn geboorteplaats heeft verkeerd, Nishapur. Rond 1220 is hij overleden, vermoord, evenals vele stadgenoten door de Mongoolse horde onder leiding van Dzengis Khan, die vanuit het oosten het westen binnenstormde en dood en verderf zaaide. De Mongolen trachtten de hoge cultuur van Perzië te vernietigen en velen sloegen op de vlucht.
De naam Attar betekent letterlijk ‘parfumeur’ of ‘apotheker’, de zaak die hij van zijn vader had geërfd.
Een opvallende anekdote is de volgende:
Op een dag komt er een zwervende derwisj zijn winkel binnen, die hem vraagt of hij zich er al op heeft voorbereid dit leven te verlaten. Attar is verbijsterd over deze vraag. De derwisj sterft plotseling en valt voor zijn voeten neer. Attar is hierdoor zo aangeslagen dat hij onmiddellijk de zaak sluit en zich enkele jaren terugtrekt in een soefigemeenschap.
Bijeenkomst van de vogels
Eens, in een lang vervlogen tijd, kwamen alle vogels bij elkaar om in een plechtige en geheime zitting over een uiterst belangrijke vraag te beraadslagen. Vanaf het begin der schepping hadden alle inwoners van de steden een koning die hun leiding gaf, maar de vogels beschikten niet over een leider en dat vonden zij een groot gemis. Zij waren als een leger zonder generaal.
Hoe zouden deze zwakke, gevederde zielen zich staande kunnen houden in de strijd om het dagelijkse bestaan? Ze bevonden zich dus in een hachelijke toestand en ze vonden dat zij zich zo snel mogelijk onder de hoede en bescherming van een koning dienden te stellen.
Vol gloed trad toen de hop, de Hud Hud, naar voren. Op zijn kop glansde zijn kuif als de kroon des geloofs, op zijn snavel droeg hij de naam van de godheid als hoop en op zijn borst droeg hij het symbool van liefde.
‘Lieve vogels’, zo sprak hij de gevederde zielen toe, ‘ik ken de Here God en de geheimen van de schepping.’ Hij vertelde dat hij de aarde was rondgetrokken in de dagen van de zondvloed, Salomo had bijgestaan op zijn tochten door woestijnen en dalen en een rol gespeeld had als zijn vertrouwde gezant bij de ontmoeting met de koningin van Sheba.
‘Wij hebben een koning, vrienden en ik weet ook waar hij zich bevindt. Ik ben echter niet in staat om hem alleen te vinden, maar als jullie mij willen vergezellen, zullen we zeker deze majesteit vinden wiens naam de Simurg is. Zijn verblijfplaats ligt ver achter de Kaukasus; Hij is nabij, maar wij zijn ver, ver van Hem verwijderd.
De hop vervolgde zijn toespraak:
‘De weg ernaartoe is bezaaid met vele hindernissen. Honderdduizenden zielen zijn hartstochtelijk op zoek gegaan naar de Simurg, maar weinigen zijn in staat Hem te vinden. Onophoudelijk trachten de zielen zich een weg te banen naar deze Majesteit, omdat zij niet zonder Hem kunnen.
Verheven dapperheid, volkomen onbevreesdheid en volledige zelfuitwissing zijn nodig om de hinderpalen uit de weg te ruimen’, zo spreekt de hop verder. ‘Wij dienen moedig te streven om een glimp op te vangen van zijn gelaat en als wij in gebreke blijven om de Geliefde te begroeten is dit leven niet waard om geleefd te worden!’ aldus de hop.
Deze woorden inspireerden meteen de vogels en zij wilden onverwijld op reis gaan om het gelaat van de Simurg te aanschouwen. Tegelijkertijd begonnen ze ook te twijfelen aan hun eigen capaciteiten toen ze over de moeilijkheden hoorden en of ze wel in staat waren de hinderpalen op het pad te overwinnen.
De eerste die op zijn besluit terugkwam was de nachtegaal die bekendstaat om zijn hartstochtelijke liefde voor de roos en zijn meeslepende melodieën voor haar.
‘Ik ben zo volledig verdronken in de oceaan van liefde voor de roos dat ik praktisch geen eigen leven meer bezit. Bovendien, hoe kan een nietig schepsel zonder veel kracht de vele moeilijkheden op de reis weerstaan? De liefde voor de roos is mij voldoende.’
‘Ach,’ sprak de hop, ‘u staat uitsluitend stil bij materiële verschijningsvormen en uiterlijke schoonheid. U spreekt van liefde, maar deze is wat anders dan de liefde die u voor de roos voelt. De liefde voor de roos zal u doornen en smart brengen, omdat zij vergankelijk is en heeft niets met de ware liefde te maken.’
Nadat de hop de nachtegaal op die wijze terechtgesteld had, verscheen de pauw, die beweerde dat hij onwaardig was om voor de koninklijke Simurg te verschijnen vanwege de rol die hij had gespeeld bij de uitdrijving van Adam en Eva uit het paradijs.
Toen kwamen er nog meer gevederde lieden zoals de eend die niet buiten het water kon, de reiger die de plassen en poelen niet wilde verlaten en de uil die zijn ruïnes niet kon missen. Ten slotte kwam de valk die geen afstand kon doen van de ereplaats op de hand van graven en hertogen.
De hop vaagde al hun smoesjes een voor een weg en moedigde haar vrienden aan door bezielende anekdoten. Om de vogels te inspireren en te stimuleren vertelde hij het volgende verhaaltje:
‘Op een dag nam de Simurg zijn sluier van zijn gelaat, zijn gezicht glansde als de zon en miljoenen stralen zond hij uit die allemaal door zijn genade vogels werden. Ja, mijn vrienden, wij zijn dus allemaal vonkjes van de Simurg! Wanneer u zich dat geheim bewust wordt, zal de verhouding tot de Simurg u heel duidelijk worden. Openbaart echter deze verbondenheid niet aan anderen, houdt het voor uzelf. Nu u weet wiens spiegeling wij zijn, zijn leven en dood hetzelfde voor u.’
Dit waren echter duistere en metafysische subtiliteiten voor de compleet onthutste vogels en daarom lichtte hij zijn woorden toe door het volgende verhaal:
‘Er was eens een wonderschone koning met een volmaakt voorkomen. Het grootste verlangen van zijn onderdanen was, het gelaat van de koning te bewonderen. Zij die enkel maar aan zijn schoonheid dachten, verloren hun zinnen en zij die trachtten een glimp van zijn schoonheid op te vangen, gaven hun leven op. Zij konden dus zijn schoonheid niet verdragen, maar missen konden zij die ook niet. Uit medelijden besloot de koning dat zij zijn schoonheid konden zien door middel van een spiegel. Op deze wijze beschermde hij zijn volk tegen de overweldigende stralen van zijn schoonheid. Zo konden de mensen toch in de spiegel een glimp opvangen van zijn voortreffelijke schoonheid…
‘Indien u nu het gezicht van onze geliefde koning Simurg wilt bewonderen, zal ik u vertellen waar u het zien kunt,’ zo ging de hop verder. ‘U zult hem namelijk kunnen zien in de spiegel van uw eigen hart!’
Dit wekte in de harten van de vogels een diep verlangen om de Grote Onbekende Koning te ontmoeten en om direct op weg te gaan. Toch kwamen de twijfels over hun vermogens om de gevaren op het pad te kunnen trotseren weer naar voren.
De hop bemerkte hun verwarring en twijfel en sprak dat hij die een minnaar is geworden, niet langer aan zijn eigen leven denkt. Uw ‘ik’ is een hinderpaal op het pad, offer haar op. En indien nodig, offer ook uw geloof op. Wanneer iemand u uitmaakt voor een afvallige, zeg dan dat de Liefde boven religie en geloof uitstijgt. Wanneer u uw voeten stevig op de woonplaats van de Liefde zet, stijgt u boven alle afvalligheid uit.
Na deze ontzetting wekkende bewering begonnen de vogels zwijgzaam en bedrukt aan de tocht.
De weg was echter zo angstaanjagend dat zij na een korte afstand afgelegd te hebben een voor een begonnen te sidderen. Daarom hielden zij op een geschikte plaats halt en zij vroegen de hop om nog een stimulerende anekdote te vertellen om hun angsten te verdrijven en om hen aan te moedigen verder te gaan. Toen vertelde de hop het verhaal van de Liefde van een vader.
In Turkestan leefde een man die twee geliefden bezat: zijn zoon en zijn paard. Niets is mij liever dan deze twee, maar als er iemand mij komt vertellen dat mijn zoon dood is, zal ik uit dankbaarheid van het goede nieuws hem mijn paard schenken, omdat ik inzie dat deze twee een obstakel op mijn pad naar bevrijding zijn.
‘Inderdaad,’ zo sprak de hop, ‘ik kan geen groter iets bedenken voor een moedig man om zichzelf in zichzelf te verliezen.’
‘O meester,’ sprak een vogel in grote verrukking, ‘hoewel ik broos ben van gestalte draag ik toch een grote toewijding en heb ik een weinig stoutmoedigheid in me.’
‘Grootmoedigheid en stoutmoedigheid zijn de sleutels tot heerschappij over het zelf. Met grootmoedigheid en dapperheid treedt men binnen in de Koninklijke Andere Natuur en gaat men de wereld en het geloof ver te boven. Wie geen manmoedigheid bezit, hoort niet thuis in de goddelijke wereld,’ zo antwoordde de hop.
‘O, wijze gids,’ sprak een andere vogel, ‘hoe ver moeten wij nog reizen voor we bij de Simurg komen?’
‘Wij moeten nog door zeven valleien heentrekken en na de zevende vallei zullen we de verblijfplaats van de Simurg bereiken. Niemand kan zeggen hoeveel mijlen het hier vandaan is, omdat nog niemand is teruggekeerd die erheen ging. Allen die deze weg betraden zijn verdwaald of hebben hun reisdoel behaald, maar niemand is ooit teruggekeerd. Hoe kunt u dan verwachten dat daar informatie over is?’
De namen van de valleien zijn:
- De vallei van het zoeken
- De vallei van de liefde
- De vallei van de kennis
- De vallei van losmaking
- De vallei van eenheid
- De vallei van verbijstering en verbazing
- De vallei van armoede en vernietiging
In stomme verbazing over hetgeen ze vernomen hadden, togen de vogels zwijgend op weg naar de zeven valleien.
De ontvangst aan het koninklijk hof
Na vele jaren van voortploeteren door de valleien komen er uiteindelijk van de miljoenen vogelzielen slechts dertig aan. Velen waren onderweg gestorven, verdronken in de zee, bevroren in de bergen of verschroeid in de woestijnen terwijl anderen een prooi waren voor jakhalzen en tijgers. Een groot gedeelte stierf van de dorst of werd waanzinnig van de honger. Het gebeurde echter ook dat velen werden verblind door de wonderen en de verborgenheden van het pad. Deze vrienden verheugden zich zo over de fraaie vergezichten dat zij vergaten waar zij eigenlijk naar op zoek waren.
De dertig vogels die bij het hof aankwamen, waren volkomen uitgeput, zonder haren en veren en gebroken naar hart en ziel. Zij klopten vermoeid aan de poort van het paleis en wachtten totdat er iemand kwam om hen te ontvangen. Ten slotte kwam de Ceremoniemeester van het Koninkrijk uit het paleis tevoorschijn en die zag dat er een aantal geheel verreisde, kreupele en verbijsterde vogels voor hem stond.
‘Wie zijn jullie, waar komen jullie vandaan en wat komen jullie hier eigenlijk doen?’ zo sprak de Ceremoniemeester. ’We zijn hier gekomen’, antwoordden de nietige vogels, ‘om voorgeleid te worden tot de grote Simurg om hem eer te bewijzen als onze koning. Lang, lang geleden zijn we op reis gegaan met miljoenen vogels om toegelaten te mogen worden bij de Koninklijke Vorst en wij, slechts als groepje van dertig, hebben het er levend van afgebracht. De Ceremoniemeester antwoordde toen: ‘Of jullie bestaan of niet bestaan, dat laat de Simurg totaal onverschillig. Miljoenen werelden bevolkt met myriaden schepselen zijn als een mier voor de deur van de koning. Keert liever terug vanwaar u gekomen bent, stelletje armoedzaaiers!’
De ongelukkige pelgrims braken bij het horen van deze strenge woorden in snikken uit, weenden en klaagden: ‘Als wij niet toegelaten worden bij de koning zullen wij de terugreis niet aanvaarden. Zal de koning ons werkelijk op deze weg met verachting toetreden en gaat er zo’n belediging van hem uit?’
Hun smart was zo diep en hartbrekend hun weeklacht, dat zij toch tot de Simurg werden toegelaten, hoewel er eerst een register voor hen werd geplaatst waarin al hun goede en slechte daden en tekortkomingen nauwkeurig opgetekend stonden. Bij het horen van deze overtredingen schaamden zij zich diep en werden zij vernietigd. Verward en verbijsterd vergingen hun lichamen tot stof. Toen zij op deze wijze volkomen gezuiverd en gereinigd van alle aardse elementen waren, herleefden hun zielen weer bij het Licht dat van de Majesteit uitstraalde. Zij stonden verblind en verwonderd weer op. De herinnering aan hun overtredingen was volledig uit hun denken gewist in dit nieuwe bestaan.
Dit was Baqa na Fana ofwel Onsterfelijkheid na Vergankelijkheid!
Verbijsterd zagen ze hoe de Simurg als een hemelse Zon begon te stralen en te schijnen en toen ze heimelijke blikken wierpen op het gelaat van de Vorst bemerkten de vogels tot hun grote ontsteltenis dat de Simurg geen ander was dan zijzelf als de dertig vogels! Ze verloren hun verstand en vroegen zich af of zij zichzelf waren of omgevormd waren tot de Simurg. Ze keken naar zichzelf en ontdekten dat de dertig vogels één Simurg bleken te zijn en kwamen tot de conclusie dat zij en de Simurg slechts één wezen vormden. In welke richting zij ook keken, ze zagen slechts enkel de Simurg. De Simurg bemerkte hun verwarring, glimlachte en verwaardigde zich een antwoord te geven op hun niet uitgesproken vragen. ‘De Zon van mijn Majesteit is als een spiegel. Wie zichzelf in deze spiegel bekijkt, ziet daar zijn eigen ziel. Indien u met vijftig of zestig vogels was aangekomen, zou u vijftig of zestig vogels gezien hebben.
U ziet na uw lange reis uzelf zoals u in een ver, ver verleden oorspronkelijk bent geweest. Aan het begin van uw reis, was u met velen, slechts dertig vogels van u zijn in staat geweest Mij waar te nemen en wat u ziet is uw eigen, oorspronkelijke zelf! Het is heel goed dat u in staat bent geweest Mij op te nemen. Blijf verbijsterd en versteld en wat mijn Wezen aangaat: ik ben meer dan dertig vogels, ik ben het wezen zelf van de Simurg. Vernietig uzelf in Mij, vreugdevol en roemrijk opdat u in Mij uzelf vindt. Met andere woorden: sterf voor u sterft en u zult het Leven winnen!’
Daarop verloren de vogelen zichzelf, de reiziger bestond niet meer, noch de hop, hun gids, noch het pad. Vindend de Simurg waren zij van het probleem van de dualiteit bevrijd. Zij vonden zichzelf en het grote raadsel van Ik en Gij was opgelost!
Het raadsel wordt duidelijker wanneer we rekening houden met het woordgrapje van Attar, met het feit dat Simurgh (één woord) God of de goddelijke eenheid betekent, terwijl Si Murgh (twee woorden) dertig vogels voorstelt!
Verhouding verhaal met gedicht
Hoe verhoudt nu het anonieme, zevenregelige gedicht van het begin zich met het verhaal van de vogels en met de gang door de zeven valleien?
De zeven regels van het gedicht bevatten in essentie de zeven stralen van de Zevengeest, of wel de Heilige Geest. Het pad van bewustwording wordt overstraald door de Zevengeest en corresponderend met deze zeven krachten zijn er ook zeven stadia van geestelijke ontwikkeling.
Het gedicht begint met: ’Wie mij zoekt, vindt mij.’ Dit kunnen we zien als de eerste straal van de Zevengeest, die de mensheid roept om te zoeken naar de vervulling van zijn leven en om verbinding te maken met de Geest.
De vogels hebben een enorm lange reis gemaakt op zoek naar de Grote Onbekende Vorst. Een zoeker op het pad naar bevrijding heeft veelal ook een lange, lange ervaringsweg achter de rug. Wie echter onophoudelijk zoekt, zal eens op de juiste tijd, zijn bestemming vinden.
De hop was een bijzondere vogel, want hij droeg de drie kenmerken van geloof, hoop en liefde. Zo had hij op zijn kop de kuif van het geloof, op zijn snavel waarop de Gods naam stond, het teken van de hoop en op zijn borst droeg hij het symbool van de liefde. Dat hij bijzonder was, komt ook tot uitdrukking als we het voorgaande in verband brengen met het volgende stukje uit De komende nieuwe mens van J. van Rijckenborgh:
Een leerling die straalt van geloof, heeft zijn geestvonkatoom tot een wonderbaar juweel geslepen, het straalt en fonkelt, en brengt verinniging.
Een leerling die vervuld is van hoop, heeft de vuurkring van de kundalini op zijn hoofd gezet, en deze stralingskracht geeft moed.
Doch een leerling die in de liefde staat, bezit het nieuwe vermogen van de zesde trede en dat geeft kracht en is opgenomen in de Apostolische Kring. Alzo blijven geloof, hoop en liefde, doch de meeste van deze is de liefde.
De eerste regel van het anonieme gedicht komt ook overeen met de eerste vallei, die van het zoeken. In deze vallei dienen de vogels hun wezen te zuiveren en al hun rijkdommen en verlangens op te geven. Op het geestelijke pad moet er zo’n gloed van verlangen van de pelgrim uitgaan dat de andere valleien zichtbaar worden, waarvan iedere volgende weer moeilijker wordt.
- Wanneer de vogels geheel bevrijd en gezuiverd zijn van al hun aardse elementen leren ze, na de verwarring en verbijstering, de Simurg kennen. Dit kennen staat in verband met het herkennen of het zich herinneren van de liefde voor de godheid. Men opent zijn hart hiervoor en vandaar dat de vogels nu in de vallei van de liefde zijn waar het hartedenken centraal staat.
Wanneer men die fase bereikt, dompelt men zich onder in vuur. De waarachtige minnaar moet gloeien als vuur en hij dient onstuimig te zijn als een vlam. Wanneer het Liefdesvuur opvlamt dan wordt de rede, het menselijke denken, weggevaagd als rook, want de Liefde heeft niets gemeen met het denken.
- Als de vogels de Simurg leren kennen, krijgen ze hem lief. Dat is de derde regel van het vers. De Liefde die hier bedoeld wordt is van een hogere gradatie dan de liefde die mens al kent. Door de Liefde voor de Simurg is de kennis nu de wijsheid van het hartedenken geworden. De vogels trekken nu door de vallei van de mystieke kennis. Hij is verschillend voor iedere reiziger, omdat het pad zich aanpast aan de verschillende talenten, hoedanigheden en de staat van bewustzijn van de reiziger. Kort gezegd: ’Het doel, het pad naar verlossing, is voor iedereen hetzelfde, maar de weg erna toe is voor elke pelgrim verschillend.
- Ook de Simurg krijgt de vogels lief, dit duidt op de vierde regel: ‘Wie mij liefheeft, heb ik lief.’ De Simurg is verheugd dat de vogels hem gevonden hebben, want Hij kan nu zijn Liefde in de vogels – lees de mens – projecteren en zo wordt men een bewuste drager van de goddelijke Liefde.
Leerde de hop de vogels niet dat zij ontstaan waren uit de stralen die de Simurg uitzond, met andere woorden: de vogels waren de onbewuste beelddragers van de Simurg!
Zij moesten zich dat alleen bewust worden en dat stadium hebben zij nu bereikt! Dit kon slechts bereikt worden door de lange ervaringsweg die zij afgelegd hadden.
- Wanneer de Simurg dan spreekt: ‘Vernietig u zelf in mij, vreugdevol en roemrijk, opdat u uzelf vindt in mij’, kunnen we dat als de vijfde regel opvatten: ’Wie ik liefheb, dood ik.’ De mens dient volledig in deze zelf overgave te staan en zich over te geven aan de Ander, die groter is dan hij zelf. Dit is de vallei waar alles verworpen en alles verenigd wordt. Hier wordt niet meer gesproken van twee, want alles is een eenheid geworden. Er bestaat dus geen ‘ik, noch ‘gij’.
- Daarop verliezen de vogels zichzelf voor eeuwig in de Simurg. Het gehele persoonlijkheid wezen lost zo op in de machtige Vorst. Dat geeft de zesde regel aan die luidt: ‘Wie ik dood, zal ik belonen’.
Als men hem in de vallei van verbijstering en verbazing vraagt: ‘Bent u het of bent u het niet?’, weet de verbijsterde ziel niet hoe hij moet antwoorden. Hij kent noch zichzelf, noch de ander, ja, is volledig zichzelf verloren.
En wat is de beloning na deze zelfopoffering en zelfuitwissing waarvan de zesde regel spreekt?
7.In de vallei van armoede en vernietiging ziet men door een enkele straal van de geestelijke zon, talloze schaduwen die in het verleden de mens omringden, verdwijnen. Op dit punt aangekomen heeft de pelgrim zijn afgescheiden bestaan afgelegd. Hij is en hij is niet. Hoe kan dat en wie kan dit mysterie verklaren?
De beloning van de zevende regel van het gedicht is de dood die voert naar een hoger leven, het is de wedergeboorte door de Heilige Geest. De vogels vinden uiteindelijk hun ware, oorspronkelijke zelf van den beginne in de Simurg en dat is hun beloning waarna zij zo zeer verlangd hebben!
Wie het pad van verlossing gaat, dient zichzelf te verliezen en wordt opgenomen in het veld van de onsterfelijke zielen. Die mogelijkheid is de gouden belofte voor de pelgrim om een te worden met de goddelijke wereld. Een nieuw leven zal zich openbaren in kracht en in heerlijkheid!
Bron:
De Samenspreking van de Vogels is een Perzisch gedicht van de soefi-dichter Farid ud-Din Attar, beter bekend als Attar van Nishapur.

