Geloof, Kennis, Leegte

Geloof, Kennis, Leegte

De spirituele ontwikkeling waarvoor de mensheid staat, leidt van geloof naar hoger weten.

Ze houdt een bewustzijnsverandering in die meer is dan een uitbreiding van het bewustzijn waarmee de weg begonnen is. De verandering leidt echter in en door de leegte, door het niet-weten.

Door de eeuwen heen hebben spirituele leerstellingen ons kennis bijgebracht over ontwikkelingsprocessen en hogere bewustzijnstoestanden die in ons aanwezig zijn. Wie ontvankelijk is, neemt niet alleen ‘tweedehands’ kennis in zich op, maar ervaart soms een aanraking die hem concrete innerlijke kennis verschaft, die lijkt op herkenning. Daarom spreken de rozenkruisers hier over het ontwaken van de oerherinnering. Deze innerlijke kennis kan ook gnosis worden genoemd. Maar gnosis is niet alleen kennis, het is ook liefde en kracht: het is de drager van een levendig vernieuwingsproces.

Ons ik-bewustzijn doet deze levendigheid geen recht wanneer het kennis wil oppotten – ook al volgt het daarbij de logische gedachte dat de zo verworven kennis zich steeds verder in het eigen bewustzijn kan en moet verspreiden, verdiepen en verfijnen, totdat het letterlijk kennis van alles wordt. Maar vasthouden sluit vroeg of laat de bron van levende wijsheid af. Het levende, dat als waarheid wordt erkend, wordt broos, levenloos, misschien zelfs oninteressant. Men begint er misschien aan te twijfelen. Of men verdicht het tot dogma en houdt de kennis als het ware levend met het vuur van de eigen wil, voor zover die dan nog levend is…

Wanneer in ons de genoemde bron wordt geopend, die de gnosis als universeel vermogen vruchtbaar maakt, dan stroomt er kracht naar ons toe die de innerlijke mens weer tot leven moet wekken. Het ego, dat kracht en kennis – onwillekeurig – als zijn eigendom beschouwt, plaatst zich als het ware ertussen en sluit zo telkens weer de bron af van waaruit alleen de levende kennis stroomt. En die moet stromen, in ons hele wezen en leven. Sluit het hart zich, dan eindigt de ervaren verbondenheid met de oorsprong, die eigenlijk licht (en daarmee kennis) is.

Wanneer de rivier opdroogt, ontdekken we,dat we hem niet met onze wilskracht weer op gang kunnen brengen. We willen weer aangeraakt worden, maar kunnen de gnosis niet naar ons toetrekken. We kunnen niets doen, behalve stil en open worden. We moeten bekennen dat we niet over kracht en kennis kunnen beschikken. Dat we onwetend en met lege handen staan, maakt ons weer toegankelijk, want we hebben voor een moment – misschien nog onbewust – de leiding afgestaan.

De nog verborgen innerlijke mens kan in het begin nog niet concreet in ons handelen. De gnosis echter, als een alomvattend krachtprincipe, kan ons aanraken, verheffen, voeden en ons steeds meer laten inzien dat wij alleen door overgave het pad gaan en het pad vrij kunnen maken voor de ware mens in ons. Het hart, dat in stilte geduldig wacht en zich opent, getuigt van geloof; het kan in niet-weten, als het ware in eenvoud, ontvangen.

Zo worden we opnieuw getroffen door een vernieuwende krachtstroom, die grotere en diepere inzichten met zich meebrengt… en zo grijpt het ik op een gegeven moment weer opnieuw naar deze schoonheid, deze weidsheid, deze kennis, om een beter ik te bouwen, om vervolgens te moeten constateren dat de levendige stroom is opgedroogd.

Deze kringloop van geloof, kennis en het doormaken van de leegte brengt een proces met zich mee van onderlinge opbouw van het nieuwe en afbraak van het oude. Ons hele wezen wordt gezuiverd, het leert loslaten, uiteindelijk zelfs het oude zelf. De kennis die met deze ervaringen gepaard gaat lijkt min of meer nutteloos, maar is essentieel voor het pad. Lao Zi beschrijft hier iets van in hoofdstuk 20 van de Tao Teh King:

Geef het leren op en maak een einde aan je zorgen. (…)

Anderen hebben gevonden wat ze zochten.

Maar ik alleen lijk verloren te zijn.

Ik heb het hart van een dwaas! Wat een verwarring!

Anderen zijn helder,

maar ik alleen ben verward.

Anderen zijn scherpzinnig.

Ik drijf als de golven op zee,

bepaald door de wind en zonder richting.

Anderen hebben iets te doen,

maar ik alleen ben moedig en voel me nutteloos.

Ik ben anders.

Mijn moeder voedt mij. [1]

 

Op het pad verliezen het uiterlijke weten, de scherpzinnigheid en de uiterlijke doelen hun kracht en gewicht. Volgens de aardse gang van zaken lijkt zo iemand verloren, want hij geeft zich over aan het lot – en aan de intuïtie die hij van zijn moeder, de gnosis, krijgt. Hij maakt zelf geen plannen; hij schept ruimte voor dat wat binnenstromen en zich openbaren wil. Hij leeft in een stil verbonden-zijn zonder verwachtingen. Soms voelt hij zich misschien onwaardig, maar in zijn toewijding aan dit onvoorspelbare proces ligt zijn kracht. Daarom kan hij zeggen: ‘Ik alleen ben moedig’.

In de leegte worden onze denkbeelden, onze wensen en onze vaardigheden, waarmee we tot dan toe ons leven hebben gestuurd, tenietgedaan. Hoe kan men leeg worden? Eigenlijk kan dat helemaal niet – de leegte is het tegenovergestelde van ons bestaan; ze ontstaat pas als al ons streven en doen… op niets uitloopt, eindigt en er voor ons op dat moment niets meer te doen, te willen, te denken, te wensen of te vrezen overblijft. We ervaren een einde dat een nieuw begin is. De bron opent zich weer.

Het inzicht dat door het niet-weten en zelfs het niet-zijn van het ik het universele zich in ons openbaren kan, verdiept zich op het pad steeds verder. Ze wordt tot een bewuste zijnstoestand. Dat het pad naar werkelijk omvattend innerlijk weten door de leegte gaat, is veelzeggend: want het nieuwe bewustzijn dat daardoor ontstaat, is een uitdrukking van de alverbondenheid en eenheid. Het is op geen enkele manier een bewaarplaats voor kennis, hoe verheven die ook moge zijn. In de loop van deze ontwikkeling verschuift het bewustzijnscentrum van het ik naar de innerlijke mens, ons universele zelf.

Hiermee gaat ook het proces van geloof, aanraking, inzicht en de overgang van onwetendheid en uiteindelijk niet-zijn naar een nieuw zijn over. In het universele zelf wordt de cyclus een levendige, evenwichtige drie-eenheid. De leegte openbaart zich tegelijkertijd als het diepste zelf en de bron van alles, het geloof ontvouwt zich tot alverbondenheid en alomvattende liefde. Uit de alverbondenheid, die werkelijke eenheid is, stroomt diepe wijsheid die alles kent en omvat.

Bron:

[1] Tao Te King, in de vertaling van Gia Fu Feng en Jane English, München 1972

Deel dit artikel

Artikel informatie

Datum: februari 6, 2026
Auteur: Angela Paap (Germany)
Foto: Geheimnis_von_Ruth_Alice_Kosnick CCO

Featured image: