Soms valt je oog op een boek dat gelijk nieuwsgierig maakt. Het overkwam me met Werelden[1] van Bô Yin Râ.
Op de voorkant zie ik, schitterend en krachtig, uitstralend licht van een onzichtbare zon boven een diepblauwe, golvende zee.

Oerverwekking
Binnenin kleurrijke schilderijen, uitgevoerd in olieverf. Het werk raakt me. Het blijkt een reeks kosmische beelden te zijn, ontstaan tussen 1920 en 1922. Van ver terug, maar zo te zien tijdloos. Thuisgekomen pak ik het kleine boekje De weg tot God [2] en Het rijk van de kunst [3] van Bô Yin Râ uit mijn boekenkast en blader erdoorheen. Het is de hoogste tijd zijn werk opnieuw onder de aandacht te brengen.
In Het rijk van de kunst geeft Bô Yin Râ zijn visie op kunst weer. Hij schrijft:
‘Een waarachtig kunstenaar creëert vanuit een innerlijke noodzaak en komt tot persoonlijke uitbeeldingsvormen. Al te lang denkt men dat echte kunst neerkomt op een bewijs van vaardigheid. Kunst komt immers van kunnen. Jazeker, maar het gaat om een ‘kunnen’ dat uit de ziel stroomt, om een vermogen van creatieve ontplooiing en niet om een aangeleerde vaardigheid.’ En hij vervolgt: ‘In het menselijk scheppen kan de eeuwige geest zich openbaren, die uitvloeit uit het Oerzijn. Want iedere geroepen waarachtige kunstenaar is een bruggenbouwer die het rijk van de zintuiglijk waarneembare wereld verbindt met de kusten van het bovenzinnelijke.’

Het eerste werk in Werelden heet ‘Emanatie’ (2): de uitvloeiing van het Oerzijn. Een stralende oervuurzon, het werkzame ‘allerbinnenste’ waaruit wereldstelsels tevoorschijn komen. Met dit werk tracht Bô Yin Râ zichtbaar te maken waaruit alle leven naar buiten is gedrongen. Opdat ook wij niet zullen vergeten van waar wij zijn gekomen. Want hoe verder verwijderd van de ene, alles voortbrengende oervuurzon, des te meer verliezen de uit haar stromende krachten de gelijkenis met haar Zijn. In het allerbuitenste worden het zelfs tegen-zijn vormen. Maar, schrijft hij:
‘Bedenk ook dat het buitenste uit het binnenste stamt en alle tegen-zijn toch nog de laatste sporen toont van zijn herkomst uit het oerlicht!’

De oereeuwige emanatie van eeuwige liefde spreekt zichzelf in eeuwige wordingswil uit. Dit werk noemde Bô Yin Râ In Principio Erat Verbum (3), in den beginne was het Woord. Vanuit het Woord is alles geordend volgens eigen maat, volgens eigen getal. Het oerwoord verwerkelijkt zichzelf in zijn binnenste tot vervulling.
Maar nog is zijn scheppende wordingswil niet ten einde.

Wat in het binnenste rijk van de geest één is, wordt tot tweeheid. Bô Yin Râ schildert een kosmische werkplaats (4), waar tijd en ruimte ontstaan. Waar alle polariteiten ontstaan en kiemen van wordende werelden zich openbaren. Eén kleine wereld in dat grote geheel ben ik en ben jij.

Maar wij dolen in het labyrint van eeuwen en eeuwen oud (5). Het vuur, de essentie van leven ligt bedolven onder de ontstane vormen. ‘Hier volg je nu,’ schrijft Bô Yin Râ, ‘de wegen die de gevallen geestesmens – ‘gevallen’, daar hij zich van zijn oervaderland afwendde om zichzelf aan de uiterste scheppingsgrenzen ervan te ervaren – op deze buitenste werelden moet afleggen, om zich eens aan de dwaasheid van zijn wilsrichting te kunnen ontworstelen en de wil tot terugkeer naar het Licht van zijn eeuwig vaderland te kunnen opbrengen.’
Op die terugkeer sluit het boekje De weg tot God aan. Van de twintig schilderijen uit Werelden zijn er zeven opgenomen in dit artikel. Uit het boekje de weg tot God enkele citaten om beknopt een beeld te schetsen van de weg.
Al op de eerste bladzijde rekent Bô Yin Râ af met alle beelden en heilige boeken waarin we zijn gaan geloven alsof dat God zou zijn. Dat is geen ‘geloof’. Bô Yin Râ noemt het ‘een zelfgeschapen hersenschim’. Het licht van de oervuurzon straalt uit zichzelf binnen in je.
Opvallend is hoe Bô Yin Râ woorden vindt om de weg heel direct binnen in jezelf te plaatsen. Zo vraagt hij je wat je nu innerlijk voelt bij het lezen van de volgende woorden:
‘Je zult je eigen leven in zijn eeuwige volheid ontmoeten; je zult jezelf door lichtkracht in het Licht zien opstaan. Je zult zien met ‘God’ – de zijnsgrond van al het zijnde – verenigd te zijn.’
Ook al kun je het nog niet verklaren, maar de innerlijke beroering die je voelt, noemt hij de kracht van het werkelijke geloof. De weg tot God begint bij dat ‘iets’ in je. Dit geloof is voor jezelf te verantwoorden. Hier is geen waan, geen menen, geen vermoeden. Wanneer je het ‘iets’ in je vertrouwt, doet het je in iets dieps in jezelf geloven. Het denken zal zeker allerlei bezwaren hebben en trachten je instemming met dat ‘iets’ binnen in je te verhinderen.
Het denken blijkt een goed instrument om door te dringen in de dingen van de aarde, maar ze faalt als instrument om tot inzicht te komen in hetgeen wortelt in de ‘geest. De onbruikbaarheid van het denken maakt Bô Yin Râ wat humoristisch duidelijk met de volgende vergelijking: ‘Iedere werkman, die ijzer wil splijten met een bijl, lach je uit en wanneer iemand vensterglas wil snijden met een zaag, vind je dat krankzinnig. Alleen wanneer je je van het denken vrij kunt maken, zul je in je de kracht van het geloof aan het werk vinden.’ Alleen dan kom je de hel waarin je leeft, te boven.

In zijn werk ‘Inferno’(6) ervaar je in de kleuren en lijnen een schrijnend verlangen, een schijnsel van licht omringd door duisternis. Door dat verlangen zal het licht je weer omhoog voeren.
Het kan niet anders volgens Bô Yin Râ dat de kracht van het geloof uitgroeit tot een innerlijke zekerheid. Je ‘weet’ dat je bereiken zult, wat het geloof je belooft. Weten, zegt Bô Yin Râ, is niet het inzicht in een of andere causale samenhang. Het is zich verzekerd gevoelen, dat geen twijfel meer kent en gevestigd is in zichzelf. In je allerinnerlijkste zul je de bron ontdekken van alle wijsheid. ‘Je zult een ‘weten’ verkrijgen, dat de buitenwereld je niet kan schenken.’
En je ontdekt dat je Op weg tot God alle hoge hulp ontvangt, zodra je er zelf naar verlangt. Je ziet in dat je die hulp nodig hebt.
‘Stel je er meer en meer op in,’
schrijft Bô Yin Râ,
‘te luisteren naar klanken uit de wakende wereld van de geest.’
En hij raadt je ook aan je altijd bewust te zijn van de leiding van de oudere mensenbroeders en zusters vanuit de geest die je zijn voorgegaan.
Er is zeker hulp, maar zonder volharding, vastbeslotenheid en waakzaamheid van jouw kant kom je niet verder.
‘Iedere dag stelt zijn vraag naar je ‘ja’ en ‘nee’. Je moet je voornemen zo te leven dat alles wat je in jezelf tot Licht en loutering kunt verheffen, van je ‘ja’ verzekerd zal zijn, terwijl alles wat je kan neerhalen, met alle zekerheid steeds je ‘nee’ moet ontmoeten. Maar hoed je voor de neiging anderen je eigen ‘ja’ en ‘nee’ te willen opdringen.’

Door de innerlijke strijd aan te gaan met de aardemens die in je leeft, en te vertrouwen en te bouwen op de hoge hulp en de kracht van de geest, zul je overwinnen. Die overwinning schildert Bô Yin Râ met zijn werk ‘Zegepraal’ (7). Uit rotskloven en dalen schijnen lichtbundels omhoog te schieten. ‘Wat je oog ook ziet, straalt in gouden Licht, en elke straal verkondigt je de zegepraal. Belichaming van de geest is de ‘sleutel’. Als een ‘zoon van het Licht’ wandel je over aarde: een ‘zelfverloste’ en ‘een verlosser’ van mensenbroeders – van hen die ook jou, op de verlossingsweg terzijde stonden.’
Je wordt niet ‘God’ maar Gods kracht stroomt door je heen. De werkelijkheid van de levende God vloeit door de innerlijkste levensgrond in het eigen ‘ik’.
Achter in Het rijk van de kunst staan meerdere boeken van Bô Yin Râ beschreven. Over Het boek van het geluk lees ik:
‘Dit boek wijst hoe men midden in het dagelijkse leven het levensgeluk kan vinden. Ook hier en nu, op het ogenblik dat u dit leest, staat u midden in de eeuwigheid, en wat u nu niet voor uzelf vermag te scheppen, zal geen God in alle eeuwigheid u kunnen verschaffen… U moet leren inzien dat alle geluk slechts het gevolg van een kunnen is dat u in u hebt, en dat u nooit gelukkig kunt worden, noch nu, noch in een andere bestaansvorm, wanneer u dit kunnen niet tot ontplooiing brengt… Alleen als creatief mens kunt u uw geluk verwerven en het voor altijd behouden!’
Over de schrijver:
Bô Yin Râ is de geestelijke naam van de schrijver en kunstschilder Joseph Anton Schneiderfranken. In 1876 werd hij geboren in het Duitse Aschaffenburg. In 1943 overleed hij in het Zwitserse Lugano. Tijdens zijn leven was Bô Yin Râ zich bewust van zowel het aardse als het eeuwige leven. Het was zijn doel deze ervaring en zijn weten omtrent het eeuwige ter beschikking te stellen aan wie ervoor openstaat. Het hoofdwerk van Bô Yin Râ bestaat uit tweeëndertig boeken die gedurende de jaren 1919-1936 verschenen en die de gezamenlijke naam Hortus Conclusus (besloten tuin) dragen. De boeken zijn in verschillende Europese talen vertaald en worden ook in de Verenigde Staten uitgegeven.
Zonder een school of een nieuw ‘systeem van denken of geloven’ te verkondigen, toont Bô Yin Râ vanuit verschillende gezichtspunten de weg waarlangs de mens zich weer bewust kan worden van zijn onvergankelijke geestelijkheid.
Literatuur:
[1] Bô Yin Râ, Werelden, Aurora Productions 2004
[2] Bô Yin Râ, De weg tot God, Servire Den Haag
[3] Bô Yin Râ, Het rijk van de kunst, Aurora Productions 2006